Het was een dinsdag, dat weet ik nog. De aanplakbiljetten hingen al een week aan de gevels, maar toen de veldwachter aanbelde werd het pas echt. We hadden één dag. Eén dag om te kiezen wat mee mocht en wat achterbleef.
Mijn vader was op zee, hij voer nog voor de sleepdienst, dus mijn moeder stond er alleen voor, met vier kinderen en een huis vol spullen. De hele Molenstraat liep leeg. Buurvrouw Kramer duwde een kinderwagen met haar naaimachine erin.
Mijn moeder nam de klok mee. De staande klok uit de gang. “Zolang die tikt,” zei ze, “blijven we thuis.”Greet Bijl, geboren in de Molenstraat, 1933
De tocht landinwaarts
We kregen onderdak bij een boer in Anna Paulowna. Ik sliep met mijn zusje op de hooizolder en hoorde ’s nachts de bommenwerpers overkomen, op weg naar Duitsland. Mijn moeder telde ze. Ik weet niet waarom, maar ze telde ze altijd.
Toen we na de oorlog terugkwamen, was de Molenstraat er niet meer. Weg. Alleen de contouren in het zand, en het beton. Ik zocht ons huis en vond een bunkermuur. Daar heb ik lang gestaan.